stadium
Uiterlijk
- sta·di·um
- Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘tijdperk’ voor het eerst aangetroffen in 1869 [1]
- van het Latijn met het achtervoegsel -ium [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stadium | stadia stadiums |
| verkleinwoord | stadiumpje | stadiumpjes |
het stadium o
- een fase in een ontwikkelingsproces
- Een nieuw stadium in de menselijke evolutie.
- ▸ Joseph Conrad, Under Western Eyes In de zomer van 2018 kwam in Brussel onverwacht een einde aan mijn eigen eenzaamheid, een eenzaamheid die nooit het stadium van totale stolling bereikte, zoals ik dat vaak aantref bij bestudering van de levens van eenzaam gestorvenen.[3]
- ▸ Vreemd genoeg had hij dat nog nooit gedaan, want hij had in een vroeg stadium besloten dat hij daarmee zou wachten tot een moment in zijn carrière waarop hij het maximale effect zou bereiken.[4]
- (eenheid) een lengtemaat uit de Griekse oudheid
- [2] stadie
|
|
- Het woord stadium staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "stadium" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "stadium" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ stadium op website: Etymologiebank.nl
- ↑ “Eenzaamheid” (2021), De Bezige Bij
, ISBN 9789403126210 - ↑ “Imperium” (2006), Cargo, ISBN 9023420535
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be