Naar inhoud springen

Sallariden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Sallariden
سالاریان
 Sajiden 919  1062 Shaddadiden 
Rawwadiden 
Algemene gegevens
Hoofdstad Tarun
Talen Perzisch, Dailami, Talysjisch
Religie(s) Sjiitische islam
Sallariden

De Sallariden (Perzisch: سالاریان), ook bekend als de Musafiriden of Langariden, waren een sjiitische dynastie van Dailamitische oorsprong, die regeerde in Tarun, Shemiran, Dailam, Gilan en vervolgens Azerbeidzjan, Arran en enkele districten in Oost-Armenië in de tweede helft van de 10e eeuw. Ze vormen een deel van de periode in de geschiedenis die het Iraanse Intermezzo wordt genoemd, een periode tussen de 9e en de 11e eeuw waarin inheemse Iraanse dynastieën opkwamen.

De Sallariden waren Dailamieten die, waarschijnlijk in de late 9e eeuw, de controle over Shemiran veroverden, een bergfort ongeveer veertig kilometer ten noorden van Zanjan. Vanuit Shemiran vestigden ze hun heerschappij over de omliggende regio Tarun. De Sallariden sloten ook huwelijksbanden met de naburige Justanidische dynastie van Rudbar.

Mohammed bin Musafir

[bewerken | brontekst bewerken]

In het begin van de 10e eeuw was Muhammad bin Musafir de Sallaried die Shemiran bestuurde. Hij trouwde met een Justanied en bemoeide zich vervolgens met hun interne aangelegenheden. Zijn harde bewind keerde zich echter uiteindelijk zelfs tegen zijn eigen familie, en in 941 werd hij gevangengezet door zijn zonen Wahsudan ibn Muhammad en Marzuban.

Azerbeidzjan en Arran onder de Sallariden

[bewerken | brontekst bewerken]

Marzuban ibn Muhammad

[bewerken | brontekst bewerken]
Zilveren dirham van Marzban bin Muhammad.

Wahsudan bleef in Shemiran terwijl Marzuban Azerbeidzjan binnenviel en het van de heerser Daisam veroverde. Marzuban veroverde Dvin, maakte in 941 een einde aan de dynatie van de Sajiden en stichtte de Sallariden-dynastie. Hij wist aanvallen van de Roes en de Hamdaniden van Mosul succesvol af te slaan. Hij werd echter gevangengenomen in een oorlog met de Buyid Rukn al-Daula, waarna de heerschappij over Azerbeidzjan werd betwist tussen Muhammad bin Musafir, Wahsudan, de Buyiden en Daisam. Hij veroverde Ardebil en Tabriz en breidde zijn macht uit naar Barda, Derbent en de noordwestelijke regio's van Arran. De Shirvanshahs stemden ermee in om Marzubans vazal te worden en tribuut te betalen. Uiteindelijk ontsnapte Marzuban, herstelde hij de controle over Azerbeidzjan en Arran en sloot hij vrede met Rukn al-Daula, waarbij hij zijn dochter aan hem uithuwde. Hij regeerde tot zijn dood in 957.

In 943-944 organiseerden de Roes een nieuwe campagne in de Kaspische regio, die vele malen brutaler was dan de mars van 913/14. Als gevolg van deze campagne, die de economische situatie in de regio beïnvloedde, verloor Barda haar positie en essentie als grote stad en gaf deze positie aan Ganja.

Het Sallaridische leger werd meerdere malen verslagen. De Roes veroverden Barda, de hoofdstad van Arran. De Roes stonden de lokale bevolking toe hun religie te behouden in ruil voor erkenning van hun heerschappij. Het is mogelijk dat de Roes van plan waren zich permanent te vestigen. Volgens Ibn Miskawaih verbrak de lokale bevolking de vrede door stenen te gooien en beledigingen te uiten tegen de Roes, die vervolgens eisten dat de inwoners de stad zouden verlaten. Dit ultimatum werd afgewezen en de Roes begonnen mensen te doden en te gijzelen voor losgeld. De slachting werd kort onderbroken voor onderhandelingen, die echter al snel mislukten. De Roes bleven enkele maanden in Barda, gebruikten het als uitvalsbasis om de omliggende gebieden te plunderen en vergaarden aanzienlijke buit.

De stad werd gered door een uitbraak van dysenterie onder de Roes. Marzuban belegerde vervolgens Barda, maar ontving het nieuws dat de Hamdanidische emir van Mosul een kleine troepenmacht had achtergelaten om de Roes in bedwang te houden, en versloeg al-Husain in een wintercampagne (945-946). De Roes besloten te vertrekken en namen zoveel mogelijk buit en gevangenen mee.

In 948 werd Marzuban verslagen door Hamadan en de heerser van Isfahan, Rukn ed-Daula, en gevangengenomen in het kasteel Shemiran. Daarna werd het gebied van de Sallariden het toneel van een meedogenloze machtsstrijd tussen Marzubans broer Vahsudan, zijn zonen en Deysam Sajid. Deze tijdelijke zwakte in het centrale bestuur stelde de Rawadiden en Shaddadiden in staat de gebieden ten noordoosten van respectievelijk Tabriz en Dvin te beheersen.

De opvolgers van Marzuban

[bewerken | brontekst bewerken]
Muntstukken van de Sallaridische heerser Wahsudan ibn Muhammad, gedateerd 954-955 n.Chr.

Marzuban had zijn broer Wahsudan aangewezen als zijn opvolger. Toen hij echter in Azerbeidzjan aankwam, weigerden de commandanten van de forten zich aan hem over te geven en erkenden in plaats daarvan Marzubans zoon Justan ibn Marzuban als zijn opvolger. Omdat hij er niet in slaagde zijn heerschappij in de provincie te vestigen, keerde Wahsudan terug naar Tarun. Justan werd erkend als heerser in Azerbeidzjan, en zijn broer Ibrahim ibn Marzuban werd gouverneur van Dvin. Justan schijnt vooral geïnteresseerd te zijn geweest in zijn harem, een feit dat sommige van zijn aanhangers van hem vervreemdde, hoewel hij en Ibrahim in 960 met succes een opstand van al-Mustajir bi-llāh, kleinzoon van kalief al-Muktafi, neersloegen.

Kort daarna kwamen Justan en een andere broer, Nasir, naar Tarun, waar ze op verraderlijke wijze gevangen werden gezet door Wahsudan, die zijn zoon Isma'il stuurde om Azerbeidzjan over te nemen. Ibrahim verzamelde een leger in Armenië om Isma'il tegen te werken, waarop Wahsudan Justan, zijn moeder en Nasir liet executeren. Ibrahim werd door Isma'il uit Azerbeidzjan verdreven, maar behield zijn heerschappij in Dvin.

Isma'il stierf in 962, waardoor Ibrahim Azerbeidzjan kon bezetten. Hij viel vervolgens Tarun binnen en dwong Wahsudan naar Deylaman te vluchten. In 966 werd Ibrahim verslagen door een leger van Wahsudan, waarna zijn soldaten hem verlieten. Hij vluchtte naar zijn zwager, de Buyid Rukn al-Daula, terwijl Wahsudan zijn zoon Nuh in Azerbeidzjan installeerde. Rukn al-Daula stuurde een leger onder leiding van zijn vizier om Ibrahim weer in Azerbeidzjan te installeren, en Wahsudan werd tijdelijk uit Tarun verdreven. In 967 stuurde hij echter opnieuw een leger, dat Ardebil platbrandde voordat Ibrahim vrede sloot met zijn oom en een deel van Azerbeidzjan aan hem afstond. In 968 bevestigde hij het Sallaridische gezag over Shirvan en dwong de Shirvanshah hem tribuut te betalen.

Het gezag van Ibrahim begon in het laatste deel van zijn regeerperiode af te nemen. In 971 veroverden de Shaddadiden Ganja, en Ibrahim werd gedwongen hun heerschappij in die stad te erkennen nadat een beleg mislukte. Rond 979 werd hij afgezet en gevangengezet, en hij stierf in 983. Zijn afzetting betekende het einde van de Sallariden als grote macht in Azerbeidzjan, aangezien de Rawadiden van Tabriz een groot deel van de provincie veroverden. Een kleinzoon van Wahsudan, genaamd Marzuban bin Isma'il, behield een klein deel van Azerbeidzjan tot 984, toen hij door de Rawadiden werd gevangengenomen. Zijn zoon Ibrahim vluchtte naar Tarun en zou later de Sallaridische heerschappij herstellen nadat deze door de Buyiden was ingenomen.

In Dvin was ondertussen Abu'l-Hajja', een zoon van Ibrahim b. Marzuban b. Muhammad, aan de macht. In 982 of 983 werd hij door de koning van Vanand overgehaald om het gebied van de Bagratoenische koning Smbat II binnen te vallen. Enige tijd later leidde Abu'l-Hajja' een expeditie tegen Abu Dulaf al-Shaibani, de heerser van Goghtn en Nachitsjevan, maar hij werd verslagen en verloor Dvin aan hem. Vervolgens reisde hij door Georgië en Armenië en bezocht hij de Byzantijnse keizer Basilius II. In 989 of 990 gaf Smbat II hem een leger om Dvin te heroveren, maar trok zijn steun later in. Uiteindelijk werd Abu'l-Hajja' door zijn dienaren gewurgd.

Tarun onder de latere Sallariden

[bewerken | brontekst bewerken]

Na de dood van Wahsudan (ergens na 967) werd hij in Shemiran opgevolgd door zijn zoon Nuh. Nuh stierf vóór 989; in dat jaar trouwde de Buyid Fakhr al-Daula met zijn weduwe en scheidde vervolgens van haar, waarbij hij Shemiran in bezit nam. Nuhs jonge zoon Justan werd naar Ray gebracht.

In 997, na de dood van Fakhr al-Daula, maakte Ibrahim b. Marzuban b. Isma'il gebruik van de zwakte van zijn opvolger om de controle over Shemiran, Zanjan, Abhar en Sohrevard te grijpen.

Toen de Ghaznavidische heerser Mahmud van Ghazni in 1029 Ray veroverde, stuurde hij een leger om Ibrahims gebieden te veroveren, maar dat lukte niet. Ibrahim veroverde Qazvin op de Ghaznaviden en versloeg Mahmuds zoon Mas'ud in de strijd. Mas'ud wist enkele soldaten van Ibrahim om te kopen om hem gevangen te nemen. Ibrahims zoon weigerde het kasteel Sarjahan op te geven, maar werd gedwongen tribuut te betalen. Tegen 1036 waren de Sallariden terug in Shemiran.

Rond 1043 ontving de Seltsjoekse sultan Togrul Beg de onderwerping van de Salar van Tarun, die zijn vazal werd en tribuut betaalde. Deze Sallaried was mogelijk Justan b. Ibrahim, die in 1046 tot heerser van Tarun werd benoemd. In 1062 ging Toghril naar Shemiran en ontving opnieuw tribuut van de heerser aldaar, Musafir. Dit is de laatst bekende Sallaried. Het is waarschijnlijk dat de dynastie kort daarna werd uitgeroeid door de Assassijnen van Alamut, die het fort van Shemiran verwoestten. Later werd de dynastie geassimileerd door de Seltsjoekse Turken.

Zie de categorie Sallarid dynasty van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
Bronnen, noten en/of referenties
Sallariden
Morty Proxy This is a proxified and sanitized view of the page, visit original site.